Hoe normaal wil ik eigenlijk zijn?
Ik wil dolgraag met mijn gezin normaal zijn, maar dan wel een versie van normaal waarin queer ook past. ‘Normaal-zijn’ betekent niet opvallen, zonder daar je best voor te hoeven doen. Het betekent oninteressant zijn, of in ieder geval: niet interessanter dan een ander. Normaal zijn is de luxe te kunnen rekenen op onverschilligheid als je vertelt over je gezinssituatie, je niet schrap te hoeven zetten en geen complimenten, afwijzingen, of vrijpostige vragen erover te ontvangen. Normaal-zijn is je kunnen permitteren geen feilloze ouder te zijn, geen feilloos gezinsleven te hebben. Normaal-zijn is niet te hoeven benadrukken hoe normaal je bent. ‘Normaal-zijn’ is onzichtbaar zijn.
De paradox is dat we, om deze mate van onzichtbaarheid te bereiken, juist zichtbaar moeten zijn. Daarvoor hebben we verhalen nodig over queer-families, over onze krachten, onze zwakten, onze vreugden en onze pijn. Verhalen over het gezinsleven en ouderschap waarin het queer-zijn soms wel, soms niet centraal staat. Verhalen die de normen oprekken over wat ouderschap is, wat een gezin is. We hebben een queer-cultuur van het gezinsleven nodig.
Dat, en meer, schrijf ik in dit essay voor de Volkskrant over de vraag wat het betekent ‘normaal’ te zijn voor queer gezinnen.
Lees het stuk op de website van de Volkskrant.